Tijdens WinterLjocht, een lichtroute langs de historische panden in Sloten, staat het volgende op de zijmuur van de kerk geprojecteerd:
‘Elk begin is tenslotte
niet meer dan een vervolg,
en het boek der gebeurtenissen
ligt altijd open in het midden.’
Het zijn de laatste twee regels van het gedicht ‘Liefde op het eerste gezicht’ van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Ze intrigeren me en ik snap ze niet helemaal. Weer thuis aangekomen zoek ik het hele gedicht op. Het gaat over twee geliefden die geloven dat ze bij wijze van toeval op elkaars pad zijn gekomen. Maar de vraag is of dat werkelijk zo toevallig was? Of was deze ontmoeting voorbestemd? Schampten hun levens al niet langere tijd rakelings langs elkaar en was het een kwestie van tijd dat de twee tijdlijnen elkaar zouden raken? Het gedicht is een lofzang aan de subtiliteit van het leven en hoe dat zich kan openbaren.
Ik hou ervan. Dat subtiele, dat ogenschijnlijk mysterieuze en magische. Met mijn binnenoog zie ik dan een grote landkaart voor me waar alle wegen en straatjes op staan. Met daarop tig doffe lampjes die zich continu verplaatsen en twee felle. Soms zijn ze mijlenver van elkaar verwijderd, dan weer tergend dichtbij. Op aanraakafstand. En dat gaat zo maar door totdat iets of iemand heeft besloten dat het tijd is dat er een ontmoeting plaatsvindt. Een ‘ingreep van bovenaf’?
Blijkbaar was ik zelf ook zo’n lampje dat tijden om een ander lampje heen cirkelde zonder het te weten. Via social media was ik weer in contact gekomen met een van mijn teamgenoten bij Veracles, de Groningse studentenvolleybalvereniging. Eind jaren ’90 speelden we daar samen in het eerste damesteam. Daarna verloren we elkaar uit het oog.
‘Vind je ’t leuk om eens een kop koffie te drinken?’ stuurde ze me via Instagram. ‘Tuurlijk, leuk’, antwoordde ik en zo kwam het dat ruim 25 jaar later onze paden weer kruisten. ‘Je bent niks veranderd.’ Grote lach. ‘Nee, jij ook niet.’ Daarna probeerden we in twee uur een kwart eeuw leven bij te praten.
Al snel bleek hoe parallel onze levens waren verlopen. Zij reed vaak door de polder richting midden van het land voor werk. Ik ook. Zouden we achter elkaar hebben gereden? Ik een koffie-pitstop bij Hajé Lelystad. Zij net weg. Zij buiten op een festival in Bolsward, ik binnen bij een lezing. Hemelsbreed wonen we maar 30 kilometer bij elkaar vandaan. We kennen dezelfde mensen, doen vergelijkbaar werk. Minimaal een keer per twee weken zijn we allebei in het Rijsterbos te vinden.
‘Ik ben zo blij dat je er weer bent’, zeiden we tegelijkertijd bij het afscheid. Verrassend want als teamgenoten waren we helemaal niet bijzonder close. En nu een diep gevoel van herkenning. Niet alleen in de buitenwereld maar van binnen zijn we ook op veel dezelfde plekken geweest, zo bleek. De illusie van de maakbare wereld aan den lijve ondervonden. Zij gescheiden, ik geen kinderen. De omzwervingen in de zoektocht naar die eigen plek en beide weer terug naar onze roots in het noorden. En dat doet wat.
Toeval of voorbestemd? Ik ga voor de laatste. Uit liefde voor het mysterie en de magie.
Want het boek van ons contact bleek wonderlijk open en nog steeds in het midden.

