Ik kuier op de Fok, de straat in Heerenveen langs de Heeresloot. Mijn oog valt op een jongetje achter een raam die achterstevoren op de bank zit. Ik schat hem zo’n jaartje of drie. Met zijn bruine krullen en dromerige ogen hangt hij met zijn buikje tegen de rugleuning van de bank. Zijn ene arm ligt op de leuning en op de andere leunt zijn kin. Hij staart over het water, zit volledig in zijn eigen wereld.
In zijn mond heeft hij een gele ballon. Niet opgeblazen, maar leeg.
Zou hij jarig zijn en mag hij zijn eigen ballon opblazen, maar is ie afgeleid geraakt? Heeft hij een ballon gekregen als remedie tegen het duimzuigen? Of lag er nog eentje van een feestje, lek geprikt en beland in een bloempot, en heeft hij die nieuwsgierig opgepakt en in zijn mond gestoken? Geen idee, maar het beeld raakt me.
Misschien wel juist nu, richting het einde van het jaar. De periode die al heel wat jaren voor mij een beetje dubbel voelt. De commercials van de blije gezinnen met dito opa’s en oma’s aan de gezellige en rijkelijk gevulde kersttafel. Het knusse gezinsgevoel als een heilige graal en standaard. Alsof dat hét recept is voor een geslaagd leven.
Maar in Nederland krijgt ongeveer twintig procent van de vrouwen geen kinderen. Eén op de vijf en het worden er verhoudingsgewijs steeds meer. Binnen die groep kiest een deel daar bewust voor en een deel niet. En dan is er nog die groep daartussen, waar ik bij hoor: de sociaal kinderlozen. Niet zozeer door niet willen of niet kunnen, maar omdat het leven om wat voor reden dan ook een andere afslag nam.
‘Het niet hebben gekregen van kinderen, gaat over zoveel meer dan het niet hebben gekregen van kinderen’, zeg ik vaak. Ik ben geen moeder, geen mem, geworden en zal ook geen beppe worden. Ik maak mijn ouders ook geen pake en beppe. De lijn die tot mijn komst ononderbroken is doorgegeven, stopt bij mij. Ik sluit een tak van onze familie af als een soort hekkensluiter.
Meestal kan ik daar prima mee leven.
Maar soms, zeker tegen het einde van het jaar, als ik op een onverwacht moment een kindje zie waarbij ik voel ‘dit had er eentje van mij kunnen zijn’, dan zucht ik. Dan botst dat plotselinge inkijkje in mijn ongeleefde leven tegen mijn hart. Niet gebroken, wel met een rafelrandje.
En dan denk ik weer aan die gele ballon.
Leeg.
Misschien leeggelopen. Misschien klaar om gevuld te worden, misschien doorgeprikt.
Wie zal het zeggen.

