Met rechts duw ik de grote bladeren van de vrouwenmantel aan de kant, met links wijs ik naar een dun steeltje met een petieterig nog in elkaar gefrommeld frisgroen blaadje. ‘Wit Mem wat dit is?’ vraag ik. Dan volgt er een rijtje plantnamen waar mijn moeder overduidelijk beeld bij heeft – ik absoluut niet – die het zouden kunnen zijn. Maar nee, dit plantje is nog te ondefinieerbaar. ‘Moai gewurde litte’, besluit Mem. We gaan wel zien wat het wordt.
Ik hou daarvan. Het onbekende tussen het bekende. Dat wat in wording is en niet op voorhand al duidelijk. Wat je haar gang moet laten gaan, vooral niet mee moet bemoeien en al helemaal niet uitroeien. Maar hoe kan het toch dat moai gewurde litte vaak zo lastig is?
Afgelopen anderhalf jaar leefde ik als dat fragiele steeltje met die kreukelige blaadjes. Ik was ondefinieerbaar geworden. In ieder geval voor mezelf. Mijn werk waaraan ik altijd zoveel plezier beleefde, leek niet meer te passen. Ik voelde me zo overwoekerd door de (wild)groei aan coaches dat ik het woord zelf niet meer over mijn lippen kreeg. Zelfs boeken die normaal gesproken het vuur in mij aanwakkeren, zette ik halverwege hoofdstuk één al terug in de kast. Geen zin in. Maar in mijn hoofd was het een drukte van jewelste. Gedachten als ‘je móet onderscheidend zijn’, ‘waar kan jij nou moe van zijn?’ en ‘je kunt niet niks doen terwijl de wereld in de fik staat’ buitelden over elkaar heen. Doe iets! Presteer iets! Draag bij! Want hier kunnen we niks mee.
Voeg hier een dosis hormonale grilligheid aan toe en zo ontstond voor mij het ideale recept voor een intense rondleiding door niemandsland. Die plek die voelt alsof ik door mijn eigen ijs zak en niet weet waar en wanneer ik weer vaste grond onder mijn voeten ga voelen. Ontheemd. Ontworteld. Maar als mijn voeten de grond niet bereiken, is het misschien juist aan mijn handen om dit wel te doen.
Uren zat ik op mijn knieën met mijn handen in de grond te woelen. Peuterde met een schroevendraaier het onkruid tussen de tegels vandaan. Struinde met Mem door haar tuin, wees aan welke planten en bloemen ik mooi vond, om die samen in de grond te zetten.
Hoe meer zaadjes en plantjes er de grond in gingen, des te rustiger het in mijn hoofd werd. Nieuwsgierigheid won het van controle en geduld van forceren.
Nee, het wordt geen keurig aangeharkte tuin met perkjes dahlia’s op kleur gesorteerd en de viooltjes bij de viooltjes. Ik wil een wilde tuin! Met alle kleuren korenbloemen en klaprozen door elkaar. Eentje waar je mijn blote voetafdrukken in de aarde kunt zien staan. En waar ondefinieerbare plantjes alle ruimte en licht krijgen om te worden wie ze zijn.
Want alles wat eruit moet komen, zit er al in, toch?
‘Och, sjoch ris oan’, zegt Mem vast over een tijdje. ‘As jo it gewoan mar in skofke gewurde litte, dan ûnsteanne de moaiste blommen.’

